Untitled Document Untitled Document

Home > Nieuws > Architecten > Is het tijdperk 'huisje, tuintje, boompje' stilaan voorbij?
Vier experts geven hun mening over inbreiding en kernverdichting

Untitled Document
  •   

    Is het tijdperk 'huisje, tuintje, boompje' stilaan voorbij?
    Vier experts geven hun mening over inbreiding en kernverdichting



  • 28/02/2017




    'Creatief met ruimte - Inbreiding/Uitbreiding', zo heet het thema van het openhuizenweekend Mijn Huis Mijn Architect dat dit jaar plaatsvindt op 23 en 24 september. Op Batibouw organiseerden we een panelgesprek waar vier experten dieper ingingen op het thema. We vroegen hen hoe zij denken over kernverdichting en inbreiding, en hoe we hiermee moeten omgaan.

    Het panel bestond uit Edward Sorgeloose (Edward Sorgeloose Architecture en voorzitter van de Beroepsvereniging voor Architecten), Koen Baeyens (Graux & Baeyens architecten), An Rekkers (directeur Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning) en Carl Dejonghe (raadgever ruimtelijke planning & stadsontwikkeling stad Gent). Het gesprek werd ingeleid door Carine Cappelle, architect en mandataris bij de Orde van Architecten - Vlaamse Raad. Koen Van Synghel, architect en architectuurcriticus voor onder meer de Standaard en de VRT, trad op als moderator.

    Koen Van Synghel: 20 jaar geleden ontvingen we de eerste signalen dat we anders moeten omgaan met de ruimte in Vlaanderen. Nu is er het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Verdichten, inbreiden: hoe pakken we dit praktisch aan.

    Carl Dejonghe: In Gent zijn we al langer vertrouwd met het fenomeen inbreiding. We denken heel planmatig na over stadsontwikkeling. Bij inbreiding kijken we in de eerste plaats naar te saneren industriële terreinen. Via creatieve en interessante invullingen willen we daar komen tot gezonde, evenwichtige mixes van functies die passen binnen het stedelijk weefsel. Het is de bedoeling dat we een uniforme groei krijgen en dat we ook zorgen dat de mensen in de omgeving mee blijven in het verhaal. Het stadscentrum telt een groot aantal 19de-eeuwse panden en we hebben heel dense stadswijken met nauwelijks zuurstof. Naast verdichten moeten we dus ook verluchten, door te ontpitten (het vrijmaken van binnenruimten tussen gebouwen om daar publieke open ruimte van het maken, n.v.d.r.) en verhardingen in het kerngebied weg gaan halen.

    Koen Van Synghel: An, naast onze grootsteden worstelen ook kleinere stads- en dorpskernen met het fenomeen inbreiding.

    An Rekkers: Kleinere gemeentes pikken het idee van inbreiden wel op, maar blijven tegelijkertijd ook uitbreiden. Dat laatste zal wel stilaan moeten uitdoven zodat we onze open ruimte kunnen vrijwaren voor voedselvoorziening, waterberging, recreatie, vrije tijd, onze gezondheid. We moeten dichte en leefbare kernen creëren met voldoende winkels en aangepaste voorzieningen zoals openbaar vervoer, crèches, sportinfrastructuur, ontmoetingsplaatsen. Hoogbouw, zoals de Vlaams Bouwmeester voorstelt, kan een enorme kwalitatieve meerwaarde bieden, maar we moeten wel kijken hoe we de identiteit van de gemeente en haar levenskwaliteit kunnen behouden. We hebben trouwens geen hoogbouw nodig om de demografische evoluties op te vangen, met kwalitatieve inbreiding en verdichting kunnen we tot 2030 alle groei binnen het bestaande bebouwd weefsel opvangen. We moeten alleen bijzonder goed nadenken over waar we dit willen doen. Ook kleinere gemeentes hebben nood aan voldoende ademruimte. Het nieuwe woonverhaal is een enorme uitdaging: hoe ga je als gemeente om met nieuwe architectuur, nieuwe ingrepen, inbreiding of ontpitting en de levenskwaliteit binnen de dorpskern. Dit vraagt in eerste instantie een sterk locatiebeleid.

    Restpercelen

    Koen Van Synghel: Koen, hoe gaan jullie om met deze problematiek. Want het zijn jullie die het met architectuur zullen moeten oplossen.

    Koen Baeyens: We stellen vast dat de bouwpercelen waar opdrachtgevers mee naar hun architect stappen, steeds vaker percelen zijn die al langere tijd leeg stonden, restpercelen die door hun afwijkende vorm of uitdagende oriëntatie nooit eerder als geschikte bouwgrond werden aanzien. Door de uitgesproken oplossingen die we aanreiken, zijn bouwheren al vaker gemotiveerd om zich toch te wagen aan dit soort uitdagende percelen. En dat maakt het zo boeiend: het zijn percelen en projecten die ons dwingen heel creatief te werken te gaan. Ze doen ons hard nadenken over het wonen in de stad: naar lichten en zichten toe, het creëren van ruimte, de relatie met de straat.

    Koen Van Synghel: Edward, ook in en rond Antwerpen zijn er veel mogelijkheden om creatief te werk te gaan. Hoe reageren jullie op het maatschappelijk gegeven dat inbreiding aan ons opdringt.

    Edward Sorgeloose: Als architect rekenen we op onze deskundigheid om goed om te gaan met de bebouwde context en het historische erfgoed. Vaak treden er spanningsvelden op tussen wat je zou willen realiseren en wat effectief toegelaten is. Binnen de historische stadskernen zien we dat ontwikkelaars inzetten op kleinere woningen, als gevolg van de marktvraag. Net als in Gent biedt de stad nieuwe terreinen aan in de vorm van voormalige industriële sites of oude pakhuizen die qua omvang ruimte bieden voor nieuwe woonprojecten.

    Angst voor verstedelijking

    Edward Sorgeloose: Zoals An eerder aangaf, blijft er de vraag van kleinere gemeentes om projecten te realiseren in uitbreidingsgebied. Als bureau vermijden we om dit te doen volgens het huidige, typische verkavelingsmodel: de klassieke straat met om de zoveel meter een vrijstaand huis met rondom de tuin. We denken eerder aan wat genereuzere pleinvormen met daarrond aantal compacte woonentiteiten in diverse typologieën, met een mix van ééngezinswoningen en appartementen, omringd door groen. Het realiseren van compacte woonprojecten in uitbreidingsgebied vindt in kleine gemeenten moeilijker zijn weg. Vaak is daar nog de, onterechte, angst voor verstedelijking. Nochtans kan je dit soort woonprojecten perfect realiseren zonder het effect van verstedelijking. Het is belangrijk om te zorgen voor een juiste invulling en een goed evenwicht in de woonprojecten die binnen een gemeente worden gerealiseerd.

    Koen Van Synghel: De Vlaming is bang van verstedelijking, bang dat we met zijn allen in die urban sprawl gaan terechtkomen, bang voor die fameuze Betonstop. Welke obstakels moeten we wegnemen om twijfels weg te nemen?

    Carl Dejonghe: Het kluwen van bouwkundige voorschriften die elk menselijk project onmogelijk maken - ongetwijfeld één van de grote frustraties bij architecten. De rigiditeit van het bestaande planningskader; het bijzonder plan van aanleg, de gemeentelijke uitvoeringsplannen. Vanuit dat besef hebben we in Gent de anomalieën binnen de stedenbouwkundige voorschriften blootgelegd en zetten we in op nieuwe woonprojecten, zonder daarbij te hard door te schieten in appartementisering en hoogbouw. We willen meer ruimte geven aan stedelijke typologieën, denk maar aan het omvormen van bestaande eacute;éngezinswoningen tot tweewoonsten. Aan de andere kant willen we ook veel meer inzetten op collectief groen.

    Koen Baeyens: Een van de obstakels die wij inderdaad ervaren zijn de beschermde eengezinswoningen. Woningen kleiner dan 250 m2 mogen niet worden opgesplitst. Aan de ene kant is dat goed, zo blijven er voldoende woningen voor gezinnen die naar de stad willen komen wonen. Aan de andere kant kunnen we hierdoor soms niet inspelen op de vragen van de consument of de kwaliteiten van het perceel: een woning met een studio die eerst kan worden verhuurd om de lening draaglijker te maken en waar later de grootouders kunnen komen wonen, of een kantoorruimte in een woonblok waar een zelfstandige activiteit kan worden uitgeoefend, zonder dat daar perse een woonst aan gekoppeld moet worden. Er is echt nood aan meer flexibiliteit op dat vlak. Wat het stedelijk wonen volgens ons nodig heeft, is een synergie tussen ontwerper en regulerende overheid.

    Exotische hoogbouw

    Edward Sorgeloose: Bekend probleem in Antwerpen is de te strikte toepassing van de harmonieregel (deze stelt heel duidelijk dat nieuwbouw in de binnenstad in harmonie moet zijn met de bestaande omliggende bebouwing, n.v.d.r.). Ook bouwen in de hoogte wordt vaak als heel exotisch beschouwd, zelfs al is het op die plek de meest logische keuze. Buiten de stad blijft het ons verrassen dat lokale besturen blijven vasthouden aan de stedenbouwkundige voorschriften zoals die destijds door landmeters werden opgemaakt: bouwdiepte op maaiveld is x meter, op eerste niveau y meter, de kroonlijsthoogte is vastgesteld op hoogte z. Eigenlijk hadden deze voorschriften al lang in de prullenmand moeten belanden. Natuurlijk zijn we voorstander van een wettelijk kader, maar het ontbreekt de uitvoerende ambtenarij aan deskundigheid en flexibiliteit om om te gaan met vernieuwende ideeën. Enigszins is dat wel begrijpelijk: men is gebonden aan de gemeentelijke regelgeving. Gemeenten zouden meer een beroep moeten kunnen doen op een onafhankelijke partij om hen hierbij te coachen en een groter draagvlak te creëren voor nieuwe, innovatieve woonideeën.

    An Rekkers: Ondertussen zijn er al een aantal gemeentes die werken met kwaliteitskamers (adviescommissie voor ruimtelijke projecten, n.v.d.r.) of zich laten bijstaan door externe deskundigen. Naar de grotere bouwprojecten toe is het belangrijk om eerst goed na te gaan wat er leeft in de buurt, wat de verwachtingen en verzuchtingen zijn, vooraleer er plannen worden uitgetekend. Als buurtbewoners van bij de prille start van een project worden betrokken bij de ontwikkelingen, is er veel meer bespreekbaar en mogelijk. Dan kunnen we ook nadenken over hoe we ruimte kunnen gaan delen: gemeenschappelijke wasplaatsen, (fietsen)bergingen, carports, zelfs keukens, zorgen niet alleen voor minder ruimtebeslag, ook vanuit sociaal oogpunt creëer je een winwin-situatie.

    Koen Van Synghel: Innovatie vraagt een operationeel model, met economische partners. Zien jullie architecten, stedenbouwkundigen een mogelijkheid om dat op te vangen.

    Carl Dejonghe: We moeten onze disciplines opentrekken. Op initiatief van een aantal private spelers zijn we in Gent gestart met een Ecowijk (een woonwijk met een aanbod van gemeenschappelijke faciliteiten voor de bewoners, n.v.d.r.). Door architecten, aannemers, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten samen rond de tafel te brengen, komen we automatisch tot innovatieve, vernieuwende modellen en frisse ideeën.

    Koen Baeyens: Daarnaast is het belangrijk dat we zoveel mogelijk diversiteit creëren in het woonblok zelf, dus geen eenheidsworst met allemaal eengezinswoningen naast elkaar. Wat de stad zo aantrekkelijk maakt, is haar grote verscheidenheid: in hetzelfde bouwblok kan je ook een koffiehuis, kapperszaak of fietsenmaker terugvinden.

    An Rekkers: Dat is nu net het doel van inbreiding: op een kleinere schaal een compact buurtleven stimuleren waar je tal van functies kan combineren. Een wijk met enkel woningen of enkel bedrijven, dat werkt niet. Een kwaliteitsvolle plek is er een die 24 uur op 24 leeft.

    Koen Van Synghel: De technische eisen worden groter wat betreft isolatie, veiligheid, toegankelijkheid. Bouwen wordt complexer. Hoe kunnen we bouwen en verbouwen betaalbaar blijven houden?

    Carl Dejonghe: In Gent streven we naar 20% sociale woningen en 20% bescheiden woningen, dat laatste cijfer willen we zelfs optrekken tot 40%. Gezien het verwerven van een eigen woning steeds moeilijker wordt, zetten we meer in op de huurmarkt dan de koopmarkt. Daarnaast willen we ook meer stedelijke woonvormen gaan creëren zoals modulaire containerwoningen.

    Edward Sorgeloose: Sinds vorig jaar voert ons bureau onderzoek naar alternatieve bouwmethoden zoals prefab houtbouw die vanaf atelier gemaakt kan worden en die toelaat om de bouwtermijn drastisch te verkorten, wat bouwen goedkoper maakt. Houtbouw scoort ook beter op vlak van energieprestaties. We geloven rotsvast dat versnelde bouwmethodieken niet alleen hun ingang zullen vinden in de woningbouw, maar ook in de kantoorbouw en andere bouwprojecten. Technieken en technologieën evolueren snel, ook artificiële intelligentie zal binnen het woongebeuren steeds meer zijn plaats opeisen.

    Baksteen en wooncoöperatie

    An Rekkers: De Vlaming is gehecht aan zijn baksteen. Deels omdat de overheid het eigendomsbezit lang fiscaal bevoordeeld heeft. Om vandaag in de koopmarkt te stappen heb je een veel groter budget nodig, de huurmarkt zal bijgevolg aan belang gaan inwinnen. De overheid doet er dus beter aan om de huurmarkt meer te gaan faciliteren. Naast een sociale huurmarkt hebben we nood aan beheersorganisaties die kwalitatieve huurwoningen aanbieden. In het buitenland bestaan er reeds tal van goede voorbeelden. Zo heeft Zwitserland een systeem van wooncoöperaties waarbij de privé-oprichters tevens aandeelhouder zijn. De Zwitserse overheid zorgt veelal mee voor de financiering. De coöperatie bouwt zelf de woningen en verhuurt ze vervolgens aan zijn leden. Omdat de coöperatie zelf eigenaar is, kan ze de huurprijs drukken en een betaalbaar, kwalitatief hoogstaand woonaanbod creëren.

    Mijn Huis Mijn Architect

    An Rekkers: Wie een woning bouwt of verbouwt grijpt meestal terug naar de typologie waarin hij zelf is opgegroeid. Vaak weet men niet dat die andere typologieën bestaan. In Vlaanderen bestaan er tal van goede voorbeelden van woonalternatieven die aantonen dat we heel kwalitatief kunnen wonen, maar op een andere manier dan we eigenlijk gewoon zijn. Campagnes zoals Mijn Huis Mijn Architect zijn dan ook heel belangrijk.

    Koen Baeyens: Als mensen effectief zien hoe harmonieus individuele of collectieve woonprojecten zich verhouden tot de grotere context van de dorpskern of de stad, dan ben ik ervan overtuigd dat Mijn Huis Mijn Architect een heel nuttig initiatief is.

    Het openhuizenweekend Mijn Huis Mijn Architect vindt dit jaar plaats op 23 en 24 september.



    Untitled Document